‘Veel mensen merken het pas veel te laat op…’ — arts onthult verontrustende details over kanker van Margriet Hermans

Het nieuws dat Margriet Hermans (72) haar carrière per direct onthoudt vanwege een zeldzame kanker, slaat in als een bom. De zangeres werd getroffen door een neuro-endocrien carcinoom (NEC). Digestief oncoloog Prof. dr. Karen Geboes (UZ Gent) legt uit waarom deze agressieve tumoren zo complex zijn en hoe die – al dan niet – behandeld kunnen worden.
Volgens dokter Geboes wordt een onderscheid gemaakt tussen neuro-endocriene tumoren en neuro-endocriene carcinomen. Neuro-endocriene tumoren groeien vaak traag, terwijl carcinomen doorgaans veel agressiever zijn. “Dit is een tumor die zich vaak snel ontwikkelt”, legt ze uit. “Waar sommige neuro-endocriene tumoren jarenlang stabiel kunnen blijven, zien we bij carcinomen soms op korte tijd een duidelijke evolutie.”
Dat maakt de aandoening ook moeilijk herkenbaar. Omdat neuro-endocriene cellen op verschillende plaatsen in het lichaam voorkomen — meestal in het maag-darmstelsel — zijn de eerste symptomen vaak weinig specifiek. Bij traaggroeiende tumoren kunnen patiënten bijvoorbeeld last hebben van diarree of blozen, terwijl een carcinoom zich vaker uit via algemene klachten zoals uitgesproken vermoeidheid, gewichtsverlies of een snelle achteruitgang van de algemene conditie. “Patiënten voelen zich vaak in korte tijd duidelijk slechter”, zegt Geboes.
Behandeling
Na de diagnose wordt doorgaans snel gestart met verdere onderzoeken en behandeling. “Bij dit type kanker proberen we zo snel mogelijk een behandelplan op te stellen”, aldus dokter Geboes. “Chemotherapie blijft in veel gevallen een belangrijke eerste stap.” De standaardbehandeling voor neuro-endocriene carcinomen bestaat al jaren voornamelijk uit klassieke chemotherapie.
Tegelijk loopt er internationaal onderzoek naar nieuwe behandelingen, waaronder immuuntherapie. Daarbij wordt onder meer onderzocht of bepaalde tumorkenmerken patiënten mogelijk gevoeliger maken voor gerichte therapieën. “Er zijn de voorbije jaren evoluties geweest die perspectief bieden voor een deel van de patiënten”, klinkt het. “Maar dat blijft voorlopig sterk afhankelijk van het type tumor en het individuele ziekteverloop.”




